De nieuwe Europese richtlijn inzake betaalverkeer

Eric Van den Broele
Debiteurenbewaking
ISS_2663_01200.jpg(image/jpeg)

In principe moet ten laatste op 16 maart 2013 de richtlijn 2011/7/EU van het Europees parlement en de raad in nationale wetgeving worden omgezet. De impact en het belang ervan kan nauwelijks onderschat. Reeds in onze vorige studies verwezen we hiernaar.

Uitganspunt van de richtlijn is dat de bestaande wetgeving ter zake (richtlijn 2000/35/EC die in ons land in 2002 in wet werd gegoten)* die de bedoeling had te late betalingen tegen te gaan  niet de verhoopte resultaten genereerde. Volgens het Europees parlement beschikken vooral kleinere ondernemingen niet over de mogelijkheden om snellere en efficiëntere betalingen af te dwingen. De nieuwe richtlijn mikt dus op een grotere bescherming van de kmo.

Frankrijk en Spanje hebben die richtlijn niet afgewacht: de effecten van de verstrengde wetgeving ter zake zijn er duidelijk voelbaar en worden zelfs reeds deels geëxporteerd. De betaaltrend die wij op dit ogenblik in België vaststellen doet hopen dat de richtlijn ook in ons land versneld in wetgeving wordt omgezet.

B2B

De richtlijn behandelt enkel het betaalgedrag in de B2B-sfeer (dus: tussen bedrijven onderling) en het betaalgedrag van de overheid ten opzichte van de business. Er wordt geen stelling genomen met betrekking tot het particulier betaalverkeer.

De richtlijn vertrekt vanuit de filosofie verwoord in de Small Business Act. Hierbij gaat men ervan uit dat de KMO het werkelijke economische bindweefsel vormt en dat alles in het werk moet worden gesteld om diezelfde kmo’s te stimuleren. De richtlijn wil dat de toegang van het midden- en klein bedrijf en de middelgrote onderneming tot financiering wordt vergemakkelijkt en dat er een juridisch en commercieel klimaat ontstaat dat de tijdige betaling bij handelstransacties bevordert.

Betalingsachterstand wordt uitdrukkelijk gedefinieerd als een vorm van contractbreuk die door het in rekening brengen van een lage of geen intrest op achterstallige betalingen en/of door traag verlopende invorderingsprocedures voor schuldenaren financieel aantrekkelijk is geworden. De richtlijn mikt erop een ingrijpende verandering te boosten in de richting van een stipte betalingscultuur. Uitsluiting van het recht om intrest in rekening te brengen wordt hoe dan ook beschouwd als een kennelijk onbillijk contractueel beding.

Misbruik van contractvrijheid

De richtlijn wil misbruik van contractvrijheid verbieden. Zo wordt  onder meer een onbillijk beding in een overeenkomst of/en praktijk met betrekking tot de betalingsdatum of met betrekking tot de intrest die in rekening wordt gebracht indien er betalingsachterstand is uitdrukkelijk beschouwd als misbruik. Ook zo indien het beding voornamelijk tot doel heeft de schuldenaar ten koste van de schuldeiser extra liquiditeit te verschaffen.

Bij betalingen tussen bedrijven geldt een standaard betalingstermijn van 30 dagen. Enkel indien beide partijen uitdrukkelijk anders overeenkomen mag die betalingstermijn verhoogd worden tot een maximum van 60 dagen na levering of na factuurdatum.

De overheid moet het voorbeeld geven

De richtlijn wijst op de bijzondere verantwoordelijkheid van de overheid. De inkomensstromen van de overheid worden doorgaans gekenmerkt door een grotere zekerheid, voorspelbaarheid en continuïteit dan die van ondernemingen. Bovendien kunnen veel overheidsinstanties tegen gunstigere voorwaarden financiering krijgen dan ondernemingen. Tegelijkertijd zijn overheidsinstanties minder afhankelijk van het onderhouden van stabiele commerciële relaties dan ondernemingen. Lange betalingstermijnen en betalingsachterstanden van overheidsinstanties voor geleverde diensten en goederen leiden tot onrechtvaardige kosten voor ondernemingen.

Voor overheidsinstanties geldt er een absolute deadline van 30 dagen: periode die, met uitzondering van de gezondheidszorg, onder geen beding mag worden overschreden. Ook moeten de lidstaten erop toezien dat de maximumduur van aanvaardings- of verificatieprocedures bij handelstransacties in de regel niet meer dan 30 kalenderdagen bedraagt. Uitzondering wordt hier gemaakt voor bijzonder complexe contracten, althans indien dat in de aanbestedingsdocumenten en in het contract uitdrukkelijk is overeengekomen en indien dit niet kennelijk onbillijk is ten overstaan van de leverancier-schuldeiser.

Kosten en intresten

Indien een schuldenaar de vervaldag toch overschrijdt, dan heeft de schuldeiser automatisch het recht een intrest aanrekenen die gelijk is aan de referentie-intrestvoet ECB + 8%. Bovendien heeft de schuldeiser recht op een administratiekost van (minimum) €40. Dit kan zonder voorafgaande kennisgeving of aanmaning.

Positief

De impact van de richtlijn mag, eens in wetgeving omgezet, geenszins worden onderschat. Fundamenteel moet het toepassen van de richtlijn leiden tot een betere liquiditeitspositie van de kleine en middelgrote onderneming. Gezien de klant-schuldenaar als gevolg van de richtlijn in vele gevallen wordt gevraagd sneller dan nu te betalen moet het leverend bedrijf de eigen productie- en verkoopcylus minder voorfinancieren (wat een belangrijke kostenfactor betekent: voorfinanciering houdt in dat men extra vermogens of werkingsmiddelen moet aantrekken en dus vergoeden). Bovendien kunnen de beschikbare liquiditeiten gemakkelijker worden ingezet in het kader van nieuwe investeringen, innovatie, …

Op termijn kan de nieuwe richtlijn dus zorgen voor een stevige economische stimulans, binnen de kmo-wereld in het bijzonder.

Kanttekeningen bij de richtlijn 2011/7/EU - opinie

Elk bedrijf moet beschikken over geldmiddelen voor het dagelijkse beheer ervan. Een factuur die niet volgens de afspraken wordt gehonoreerd, zal per definitie liquiditeitsbeperkingen en zelfs –tekorten veroorzaken. Deze tekorten moeten dan noodzakelijkerwijs aangevuld worden met (dure) kredieten of een instroom van extra – op dit ogenblik nog steeds moeilijk te vinden - kapitalen: voor een bedrijf een belangrijke kostenfactor. Een bedrijf met kleinere winstmarges zal vaststellen dat reeds bij een beperkte vertraging van de betalingen door haar cliënteel, de transacties verlieslatend worden.

Lange betalingstermijnen en dito betalingsvertragingen hebben dus een negatieve uitwerking op de liquiditeit van onze ondernemingen. Ze bemoeilijken hun financiële beheer. Ze destabiliseren hun concurrentievermogen. Ze vernietigen de winstgevendheid en dus de potentiële groei- en innovatiekracht.

Bovendien bevindt de kleinere leverancier zich ten overstaan van zijn grote of machtige klant in een underdogpositie en beschikt die vaak niet zelf over de mogelijkheid redelijke betalingstermijnen af te dwingen. Binnen de kmo-wereld blijft meestal de commerciële relatie primeren: vaak worden daarom geen nalatigheidintresten verhaald en ziet de leverancier zich dus niet vergoed voor de schade.

Eerdere Graydon-studies toonden aan dat ruim 25% van alle faillissementen wordt veroorzaakt door wanbetalingen.

De richtlijn is dus, zeker in het licht van de huidige economische malaise,  een meer dan lovenswaardig initiatief.

Echter, De richtlijn 2011/7/EU is het typische resultaat van een compromis. De oorspronkelijke bedoeling is duidelijk. Maar de richtlijn bevat zoveel gaten, uitzonderingen en juridische vaagheden dat een simpele copy-paste naar onze nationale wetgeving zal leiden tot een minimaal en dus betreurenswaardig effect.  We riskeren dus een doodgeboren kind.

Het staat echter de lidstaten vrij de richtlijn verder aan te vullen en strikter te interpreteren.

Kennelijke onbillijkheid

De richtlijn voorziet in een uitzondering op de 60-dagenregel indien uitdrukkelijk anders is overeengekomen en mits daarbij geen sprake is van kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser. Best waakt onze wetgever erover die uitzonderingsmogelijkheid sterk te temperen en liefst –hoogstens als overgangsmaatregel - als tijdelijk en uitdovend te voorzien. Bovendien dient de ‘kennelijke onbillijkheid’ duidelijk te worden gedefinieerd. Zo bijvoorbeeld kan men rechtstreeks verwijzen naar de (beter dan) mediaan-betalingsafspraken die binnen de specifieke activiteitssectoren gelden. Net deze studie toont aan dat die perfect meetbaar zijn.

Rechten en plichten

Intresten en kosten aanrekenen bij achterstallige betaling is in de richtlijn een recht, geen plicht.  De schuldeiser in underdogpositie vindt geen argument om plots wel in te vorderen.

In wezen laat de richtlijn de schuldeiser de vrijheid de intrest- en kostenvergoeding al dan niet op te eisen. Vraag is dus in welke mate de kmo-schuldeiser de kracht en de macht zal hebben de kosten en intresten waar het bij vertraagde betaling recht op heeft ook werkelijk te innen. Vaak zal men hierbij, uit angst de commerciële relatie te verbranden of de belangrijke klant voor het hoofd te stoten, niet durven innen.

Hier kan aan verholpen worden en wel in twee richtingen.

De wetgever kan belangenorganisaties die de bedrijven vertegenwoordigen ondersteunen, om in samenwerking met gespecialiseerde ondernemingen en de gerechtelijke orde een werking uit te bouwen waarbij  systematische en moedwillige wanbetalers of ‘billijkheidsschenders’ worden opgespoord en aangepakt.

Zo moeten instanties die officiëel zijn erkend als bedrijfsvertegenwoordigende organisaties (Unizo, VOKA, NSZ) of organisaties die daarbij een legitiem belang hebben (beroepsfederaties, …), in samenwerking met bijvoorbeeld Graydon die over de nodige informatie beschikt, in staat worden gesteld zich tot de rechtbank te wenden om misbruiken aan te klagen. Anders gesteld moeten de middelen vrijgemaakt worden opdat de belangenorganisaties zich namens hun leden kunnen keren tegen die bedrijven of overheidsinstanties die op een systematische wijze een loopje nemen met de hierboven beschreven intenties.

Ook kan overwogen worden de boekhouding van elke onderneming te verplichten een automatisme in te bouwen waarbij bij achterstallige betaling de schuldenaar van bij vervaldag altijd en systematisch moet gewezen worden op de verschuldigde kosten en intresten. Dan moeten we wel het achterpoortje sluiten waarbij een kredietnota tegelijk met de intrestfactuur wordt verstuurd.

Pervers effect

Daarnaast willen we waarschuwen voor een pervers effect die de invoering van de richtlijn teweeg kan brengen.

Inderdaad blijkt uit onze vele gesprekken met bedrijfsleiders dat de bedrijfswereld, de kmo-wereld in het bijzonder zich helemaal niet bewust is van de op til staande wetgeving, nochtans ten laatste binnen 12 maanden na nu te activeren. Dit kan leiden tot een verhoogde problematiek op het einde van de ketting.

Sectoren die sterk maatgericht werken én langere productiecycli kennen, kampen met sterke voorfinancieringszorgen én vaak met bijzonder trage consumenten-betalers.

Zo bijvoorbeeld binnen de bouwnijverheid, een sector waar typisch lange betalingstermijnen worden afgedwongen. De grote toeleveranciers zullen vrij gemakkelijk en graag de nieuwe richtlijn toepassen en dus bij hun klanten-groothandelaars binnen de kortste keren de kortere betalingscondities afdwingen. Daartegenover staan de kleine aannemers en/of installateurs die vaak slecht zijn georganiseerd om bij de particuliere bouwheer de betalingen af te dwingen. Bovendien blijkt steeds meer dat particulieren geneigd zijn de eindfactuur bijzonder traag of zelfs niet te betalen. De groothandelaar komt hierdoor tussen hamer en aambeeld: als bij een plots en onvoorbereid invoeren van de richtlijn hij zich verplicht ziet ook op zijn beurt de korte betalingstermijnen aan zijn klanten installateurs door te rekenen veroorzaakt hij hiermee een acuut liquiditeitsprobleem bij die klant. Een dergelijke beweging riskeert dus een nieuwe boom in faillissementenland teweeg te brengen.

De vraag moet dus worden gesteld of de wetgever niet best voorziet in een regeling waarbij de leverancier die maatwerk levert (de bouwwereld is hiervan opnieuw een perfect voorbeeld) per definitie een voorschot dient te vragen die minstens de kosten van de te gebruiken materialen dekt.  Een dergelijk initiatief gebeurt best los van het toepassen van de richtlijn die uitsluitend betrekking heeft op het B2B- en B2Overheid betaalverkeer.

Stevige informatiecampagne

Op dit ogenblik zijn noch de richtlijn, noch de mogelijke gevolgen van de  op stapel staande wetgeving door het brede ondernemerspubliek gekend. Nochtans zal de impact ervan  als een lawine door het bedrijfsleven razen: van de producent over de groothandelaar naar de bedrijven die zich op het einde van de ketting bevinden. Zonder grondige voorbereiding riskeren net die eindbedrijven plots met de situatie te worden geconfronteerd en er de dupe van worden... tot en met het faillissement.

Dus is het zonder meer van belang om nu al werk te maken van een stevige informatiecampagne zodat ook de kleinere bedrijven die zich op het einde van de ketting bevinden zich bewust worden van de noodzaak zich grondig voor te bereiden. Nu al zal werk moeten worden gemaakt van een nieuw financieringsplan, van betere inningsprocedures, van het maken van duidelijker afspraken met de eindklant. Belangenorganisaties en beroepsfederaties kunnen hierin actief ondersteuning bieden.

Werk aan de winkel voor de wetgever

Ons economisch weefsel  heeft, nu meer dan ooit, nood  aan een degelijke ondersteuning waarbij de cashpositie van onze ondernemingen grondig wordt verbeterd. Onze wetgever heeft hier en nu alle kans de richtlijn te corrigeren en die, net als de Fransen ons al voordeden,  heel wat krachtdadiger, nauwkeuriger en dus efficiënter uit te bouwen. Een copy-paste van de richtlijn in onze nationale wetgeving brengt geen soelaas. Beter en hoger is de boodschap.

Eric Van den Broele, 
Graydon Belgium nv

www.graydon.be

Webdesign Desk02