Vandaag gaan economie en ecologie hand in hand

Freddy Michiels
Milieu & Afvalverwerking
Joachen Aendenboom
Luc De Brauwere
Rita De Smedt
Wim Desloovere
Martin Devriendt
Ben Laenen
Johan Sneyers
Anouck Van de Meulebroecke
Els Van den Abbeele
Mireille Verboven
Jan Zwaenepoel

De Belgen produceren samen jaarlijks zo’n 5 miljoen ton afval. De jaarlijkse productie aan bedrijfsafval is een veelvoud groter. We beschikken over een professionele sector die al dat afval kan omvormen tot nieuwe materialen of brandstoffen. Nu al weet de afvalsector in België een reductie van een kleine 3 miljoen ton CO2-emissie te realiseren. In Nederland is dit 4 miljoen ton. Door een efficiënt afvaltransport, door de inzet van schone voertuigen, door transport over water en door moderne afvalenergiecentrales, maar ook door te recycleren en ervoor te zorgen dat natuurlijke grondstoffen in het milieu kunnen blijven. Dat schrijft Werner Annaert, Algemeen Directeur FEBEM in een rapport onder de titel: “Afval kan de wereld redden”.

Over het algemeen zijn we dus goede leerlingen. We wilden weten hoe goed we als leerling wel zijn en nodigden naar jaarlijkse gewoonte enkele belangrijke spelers uit de milieusector uit voor een ontbijtvergadering. Gaven gevolg aan onze oproep:

  • Jochen Aendenboom (Veolia Environmental Services)
  • Luc De Brauwere (Miplan)
  • Rita De Smedt (Arivic)
  • Martin Devriendt (Bodemkundige dienst van België)
  • Wim Desloovere (Artexis) • Ben Laenen (Vito)
  • Johan Sneyers (Val-I-Pac)
  • Anouk Van de Meulebroecke (BECO)
  • Els Van den Abbeele (Van Gansewinkel)
  • Mireille Verboven (Febem-Fege)
  • Jan Zwaenepoel (DEC/DEME Environmental Contractors)

We waren zeer benieuwd om te vernemen of niet alleen de burgers van ons land maar ook de bedrijven voorbeeldige leerlingen waren op het vlak van milieu- en afvalbeleid.

VRAAG 1

De analyse van Werner Annaert van de beroepsfederatie FEBEM, zoals bij de inleiding aangehaald, is duidelijk. Op welke manier kunnen de kmo’ s een bijdrage leveren bij zijn uitspraak “Afval kan de wereld redden”?

Johan Sneyers: Wij hebben de evolutie op het vlak van het verpakkingsafval met Val-I-Pac op de voet gevolgd. We herinneren ons nog dat het vroeger voornamelijk de jeugdbewegingen waren die papier en karton inzamelden om te recycleren, omdat ze van de grote hoeveelheden een niet onaardige som konden krijgen voor hun clubkas. Vandaag zien we dat bij de bedrijven meer dan driekwart van het verpakkingsafval selectief per materiaal ingezameld wordt. In ons land zijn daar 20.000 bedrijven dagelijks mee bezig. Ondertussen worden paletten en kunststoffolies gerecycleerd, maar naast verpakkingsafval ook afvaloliën, accu’s, autobanden enz. Het is een ernstig proces geworden, dat dankzij het groeiend milieubewustzijn met de dag ernstiger aangepakt wordt. Dat is een grote vooruitgang, mede veroorzaakt door de verhoogde milieuheffingen die afval recycleren financieel aantrekkelijker gemaakt hebben dan storten of verbranden.

Els Van den Abbeele: De afgelopen tien jaar zien wij een enorme evolutie in de afvalwereld. Daar waar vroeger alles onder de noemer restafval werd gedeponeerd, zien we dat mensen nu het belang van het scheiden aan de bron inzien. Dikwijls speelt hier ook wel het financiële luik mee, eerder dan de ecologische overtuiging, maar het is goed om welke reden ook, dat wij hierin een positieve tendens zien.

Anouk Van de Meulebroecke: Er wordt op vele vlakken ernstig over nagedacht, vaak ook onder impuls van onze overheid. De afgelopen jaren werden diverse stimulerende programma’s – zoals bv. het eco-efficiëntie scanprogramma van de OVAM - gevoerd om kmo’s aan te zetten tot een rationelere omgang met hun grondstoffen, reductie van hun afvalstromen, intern hergebruik of externe recyclage en verbeterde afvalscheiding. Efficiënter grondstofgebruik en minder afvalstoffen voelt de kmo-bedrijfsleider immers ook rechtstreeks in zijn portemonnee. De containerpremies hebben daar zeker ook toe bijgedragen.

Johan Sneyers: We zijn bij Val-I-Pac gestart met 7000 bedrijven, die verpakkingsafval goed selectief lieten inzamelen. Vandaag ondersteunen wij reeds 20.000 bedrijven die actie nemen om de recyclage mogelijk te maken. Vandaag gaan economie en ecologie samen.

Jochen Aendenboom: Bedrijven hebben vandaag ook een veel beter zicht op de verplichtingen maar ook op de mogelijkheden voor specifieke afvalstromen via de verschillende beheersorganismen zoals Val-I-Pac, Bebat, Valorfrit e.d.

Luc De Brauwere: Nog beter dan afval te verwerken is afval voorkomen. Als je ziet naar de verpakking van speelgoed bijvoorbeeld. De verpakking is in volume een veelvoud van het product. Ik ben er niet van overtuigd dat een dergelijke overweldigende verpakking altijd zijn nut heeft voor de consument. W>el voor de producent natuurlijk. We zouden ook moeten stoppen met aardgas en aardolie te gebruiken als verwarming. In principe zouden we maar evenveel mogen gebruiken als wat de aarde vanuit zijn eigen levenscyclus aanmaakt. Dan zouden we al een hele grote stap in de goede richting gezet hebben. Johan Sneyers: Het is feitelijk wel jammer dat mensen zich pas aan bepaalde gedragsregels houden van zodra er boetes kunnen opgelegd worden wanneer die gedragsregels niet nageleefd worden. De wetgever legt een bepaalde verplichting op maar de consument is hierbij deels afhankelijk van de leveranciers. We zouden allemaal de natuurlijke reflex moeten hebben om spaarzaam om te gaan met alles wat ons op lange termijn nadeel kan bezorgen.

Wim Desloovere: Ook wij merken dat innovatie hoog op de agenda van de afvalbedrijven komt. Vroeger ging Ifest over afvalverwerking, scheiding en recyclage. Nu zijn cradle to cradle, CO2 en energiebesparing items waar bedrijven het verschil willen maken. Er is een duidelijke verschuiving merkbaar, waar wij als Ifest ten volle op inspelen.

Martin Devriendt: De kmo staat tussen ecologie en consument. Het is gebleken dat niettegenstaande de jarenlange campagne tegen gebruik van plastiek wegwerpdraagtasjes, de consument eigenlijk slechts aanpassingen doet en deze niet meer gebruikt op het ogenblik dat alle winkels gezamenlijk deze tasjes gaan aanrekenen. Niettegenstaande de gevoeligheid van de verdelers en hun goede wil in verband met reductie van het afval, is er nog heel wat overleg nodig onder de producenten om bijvoorbeeld te komen tot minder onnodige verpakking.

VRAAG 2

Het beleid heeft zich de voorbije jaren geheroriënteerd van afvalscheiding/ophaling naar het zoveel mogelijk voorkomen van afvalstromen (preventie van afval en emissies, eco-efficiëntie) tot het maximaal hergebruiken (cradle to cradle, sluiten van de materiaalkringlopen). In hoeverre is dit al in de bedrijfswereld doorgedrongen? En hoe spelen afvalbedrijven in op deze trend?

Anouk Van de Meulebroecke: Het zou voor iedereen een discipline moeten zijn om het “cradle to cradle”-principe na te streven. Maar we merken dat dit in de praktijk lang niet zo eenvoudig te realiseren is.

Wim Desloovere: Artexis mocht in 2008 het Vlaams Milieucongres ontvangen, dat inspeelde op deze evolutie .

Els Van den Abbeele: Wij zijn ons ervan bewust dat we leven in een wereld waarin grondstoffen schaars zijn en waar we verstandig met grondstoffen moeten omgaan. Wij weten nu al bijvoorbeeld dat, indien we zo blijven verder leven, er voor maar 29 jaar zilver, 13 jaar Indium zal zijn, de grondstof voor LCD-schermen. Wij moeten nu reageren! Samen met onze klanten streven wij er naar om zoveel mogelijk afvalstoffen geschikt te maken voor nuttig hergebruik. En hoewel het misschien tegenstrijdig klinkt, zien wij afval niet als een restproduct. Als afvaldienstverlener zien we in afval juist het waardevolle begin van een nieuwe cyclus. Afval als grondstof voor nieuwe producten en energie, dus Onze visie op grondstoffen, energie en afvalmanagement sluit goed aan op de Cradle to Cradle (C2C)-filosofie. Dit concept gaat ervan uit dat producten zo samengesteld worden, dat ze na hun levenscyclus herbruikbaar zijn of afbreekbaar tot grondstoffen voor nieuwe, gelijkwaardige of hoogwaardige producten. Dit leidt tot oneindige kringlopen van producten zonder dat daarbij afval ontstaat in de betekenis van ‘nutteloos overblijfsel’. De Van Gansewinkel Groep sloot in 2008 een samenwerkingsovereenkomst met Prof. Dr. Michael Braungart, de grondlegger van het C2C-concept, en zijn organisatie Environmental Protection Encouragement Agency (EPEA). Onze kennis van afval is van waarde voor onze partners. Juist bij en met hen kunnen we al in de ontwerpfase van hun producten een rol spelen, waarbij een winstgevende oplossing mogelijk is. Volgens Braungart moeten producten dus zodanig worden ontworpen, dat ze in de afvalfase in een van de kringlopen terechtkomen. Dat gaat niet van vandaag op morgen, maar het is belangrijk dat bedrijven er nu mee beginnen.

Jan Zwaenepoel: Om de materialenkringloop bij consumentengoederen te sluiten, is natuurlijk ook de hulp van de consument nodig, die het versleten toestel inlevert voor selectieve recyclage, in plaats van het gewoon in de afvalzak te stoppen.

Ben Laenen: Metalen geraken nooit op, wij moeten alleen zorgen dat we ze recupereren en dat ze dus opnieuw in de cyclus komen. Een belangrijk onderdeel binnen het hergebruik is ook dat we maximaal warmte moeten isoleren. Daar besparen we al heel veel mee.

Anouk Van de Meulebroecke: Deze evolutie dwingt bedrijven er soms ook toe hun business drastisch te heroriënteren. Denk daarbij bv. aan het aanbieden van productdienstcombinaties. Een goed gekend voorbeeld hiervan is Cambio bijvoorbeeld, het systeem van het gedeeld autorijden en het tijdelijk gebruik van wagens (www.cambio.be - nvdr). Men biedt daarbij geen auto’s aan, maar het comfort om een auto ter beschikking te hebben wanneer nodig. We moeten evolueren naar een deling van sommige goederen, een soort van time sharing. Zo kan je momenteel ook al kantoormeubilair aanschaffen op leasing. De fabrikanten van dat meubilair worden daarbij gedwongen reeds van op de tekentafel na te denken over hoe ze met het meubilair zullen omgaan eens het afval is geworden (design for reuse, design for dissassembly, sluiten van materiaalkringlopen) en moeten een efficiënt systeem uitdokteren om op het einde van het contract het leasemateriaal terug te nemen en verder in te kunnen zetten. We moeten blijven de nadruk leggen op het belonen van mensen die in deze zaken het goede voorbeeld geven.

Jan Zwaenepoel: Er worden gelijkaardige initiatieven uitgewerkt voor elektrische wagens, waarbij de peperdure accu’s niet aangeschaft hoeven te worden maar gehuurd worden en ingeruild wanneer ze verouderd of versleten zijn. Onlangs is er een McDonald’s geopend in Burcht waar de klanten hun elektrische wagens gratis kunnen opladen op de parking. Dergelijke bedrijven spelen in op de noodzaak naar duurzame en geïntegreerde oplossingen voor het mobiliteitsprobleem. In plaats van tijd te verliezen in de file, kun je via het wireless netwerk je e-mails afwerken terwijl je een kop koffie drinkt en je auto aan het opladen is.

VRAAG 3

Hoe zit het vandaag met de bodemkwaliteit? Onlangs, tijdens een bodemcongres, beweerde Dirk Loontjens van Bofas dat de kwaliteit van de bodemsanering, ondanks het Achillesprotocol, nog steeds niet gegarandeerd kan worden. Is dit ook de mening van de panelleden?

Martin Devriendt: Er is nog maar een duidelijke regelgeving sedert begin jaren ’90.

Jan Zwaenepoel: Het Bodemdecreet heeft in de jaren ’90 in Vlaanderen een enorme impuls gegeven aan de bodemsaneringsector. Hierdoor hebben Vlaamse saneringfirma’s heel wat knowhow opgebouwd, bijvoorbeeld in het bouwen van grondreinigingsinstallaties of het ontwikkelen van innovatieve bodemsaneringtechnieken. Bodemsanering is tegenwoordig high-tech, en daarvoor ga je best met een gespecialiseerde aannemer in zee.

Mireille Verboven: Je mag die zaken niet op korte termijn zien. De misvatting bestaat dat risicobeheersmaatregelen steeds goedkoper zouden zijn dan de klassieke saneringsprojecten. De opdrachtgever mag hierbij niet uit het oog verliezen dat de jarenlange opvolging van de beheersmaatregelen op het einde van de rit vaak duurder uitkomen.

Jan Zwaenepoel: Deze tendens naar risicobeheersing is inderdaad ingegeven door korte termijn financiële overwegingen en zet de kwaliteit van de bodemsaneringen wel onder druk. Indien de beleidsmakers en probleembezitters zouden inzien dat dit een hypotheek legt op de lange termijn gebruiksmogelijkheden, dan zouden ze misschien toch kiezen voor de korte pijn en het probleem écht aanpakken.

Jan Zwaenepoel: Na-monitoren is misschien nog kostelijker, zeker op langere termijn. Het cradle-to-cradle-principe waarin hergebruik in een minstens even hoogwaardige toepassing nagestreefd wordt, zouden we ook kunnen toepassen op verlaten en verontreinigde bedrijfsterreinen, de zogenaamde brownfields. Indien men daar durft kiezen voor een hoogwaardige sanering die meer is dan enkel wat risicobeheersing en monitoring, dan is het verontreinigingprobleem definitief van de baan en kunnen deze terreinen perfect hergebruikt worden voor het bouwen van woningen. Hierdoor brengen deze gesaneerde terreinen ook veel meer op dan wanneer je ze enkel als parking kunt herontwikkelen. Ook maatschappelijk sla je twee vliegen in één klap: de stadskankers worden opgeruimd waardoor wonen in de stad weer aantrekkelijker wordt, en de nu al zo schaars overgebleven groene ruimte hoeft niet opgeofferd te worden voor de zoveelste nieuwe verkaveling. DEC heeft de nodige kennis en ervaring in huis om samen met de probleembezitters en de overheden een totaaloplossing uit te werken voor een verontreinigde site, en tot een win/win situatie voor alle betrokkenen te komen.

VRAAG 4

Brand is een erg polluerend gegeven. FEBEM heeft enkele maanden geleden hierover een reeks infoavonden georganiseerd. De oorzaken van bedrijfsbranden zijn niet altijd voorspelbaar. De brandveiligheid is wel een zeer belangrijk punt bij een vergunningsaanvraag. Hebben de panelleden de indruk dat er voldoende aan brandpreventie gedaan wordt in het bedrijfsleven?

Mireille Verboven: Wij hebben inderdaad twee infoavonden georganiseerd rond brandpreventie. Wat door onze bedrijven als storend wordt ervaren, is dat er geen uniforme adviezen worden gegeven door de verschillende brandweerkorpsen. Veel bedrijven gaan pas over tot bijkomende maatregelen voor brandpreventie wanneer ze hierdoor verplicht worden door de verzekering. Een goed overleg met de plaatselijke brandweercommandant is nochtans erg belangrijk.

Jochen Aendenboom: Veel bedrijven zijn vragende partij om specifiek advies te krijgen van de brandweerdiensten doch het is zeer moeilijk om dit advies te bekomen. De bedrijven worden dan verplicht om te werken via externe deskundigen. Dit geeft onzekerheid bij de bedrijven en heeft ook impact op de installatietermijn.

VRAAG 5

Europa subsidieert verschillende bedrijfsactiviteiten. Op 5 mei 2010 wordt bijvoorbeeld een LIFE+ oproep gelanceerd waaraan een budget gekoppeld is van 77,7 miljoen euro. De Europese Commissie gaat met deze oproep op zoek naar kmo’s voor vernieuwende producten, diensten, en technologieën om meer en beter gebruik te maken van natuurlijke hulpbronnen en om de ecologische voetafdruk van Europa te reduceren. Kunnen de panelleden dit toelichten?

Ben Laenen: Dit is maar één van de oproepen die onder de noemer Environment Call vallen. De overheid, zowel Vlaanderen, België als Europa heeft jaarlijks vele miljoenen beschikbaar om bedrijven te helpen de kringloop te sluiten.

Johan Sneyers: Men verlangt wel dat er meer dan een Belgisch tintje aan is. We zijn Life+ dankbaar voor de steun die zij ons geven. De Nationale Bouwfederatie is daar echt wel mee bezig. Men moet zich wel realiseren dat aanvragen gepaard gaan met een zware administratie.

Ben Laenen: Het zijn inderdaad zeer strikte regels. Ik vraag me af of Life+ wel geschikt is voor kmo’s. Kmo’s zouden eerder de website van “Eco Innovatie” (www.vleva.eu - nvdr) moeten raadplegen. Er zijn ook instanties die de bedrijven kunnen bijstaan. Zo heb je Vito, het Innovatiecentrum van de Provincie Antwerpen, Vleva e.d.

Wim Desloovere: Weinig bedrijven hebben hiervoor interesse, hoewel het een opportuniteit biedt. Wij verwachten wel dat energie op Ifest een hot en innovatief item zal worden.

VRAAG 6

Zonnepanelen genieten een grote belangstelling van zowel bedrijven als particulieren, dankzij de subsidiëringpolitiek door de overheid. Bestaat er een grens aan het aantal zonnepanelen dat we kunnen plaatsen? Volgens bepaalde bronnen wordt bij de productie van zonnepanelen enorme veel CO2 uitgestoten, ongeveer 1/7de van wat een zonnepaneel op 30 jaar tijd opbrengt.

Mireille Verboven: Het probleem dat ons ook moet bezighouden is: hoe kunnen we deze zonnepanelen in een latere fase recycleren? Met dit doel is de vzw PV CYCLE opgericht.

Luc De Brauwere: Wij hebben zopas 16.000 zonnepanelen geplaatst op de stortplaats van Ivarem te Lier. Overdag functioneren de zonnepanelen en ’s nachts wordt de stortplaats gedwongen ontgast. Dit gas wordt verwerkt tot elektriciteit in twee gasmotoren in combinatie met een WKK (warmtekrachtkoppeling – nvdr).

Ben Laenen: Er wordt vandaag zeer veel onderzoek naar gedaan als alternatief , bv. Zonnepanelen in ruiten.

VRAAG 7

Wat kunnen we op het vlak van milieu- en afvalbeleid nog aan de bedrijven aanraden en dat we nog niet gezegd hebben?

Ben Laenen: Bedrijven moeten weten dat ze via Vlaanderen en Europa de mogelijkheid hebben om initiatieven te ontwikkelen. De kmo’s maken daar vandaag nog te weinig gebruik van.

Mireille Verboven: Er kan bij kmo’s nog iets gedaan worden rond selectieve inzameling. De afvalstoffen die de werknemer thuis apart houdt voor de selectieve inzameling, geraakt op het werk vaak nog bij het restafval.

Anouk Van de Meulebroecke: Veel te weinig kmo’s zien het breder kader. Vandaag kent bv. het plaatsen van zonnepanelen een groot succes. Maar denkt men daarbij wel voldoende na of deze panelen in het kader van de totale zogenaamde ecologische voetafdruk van het bedrijf de meest aangewezen strategie was. En in welke mate wordt continu verbeterd en geïnnoveerd? Of blijft het bij enkele ad hoc acties? Kmo’s moeten leren het globale plaatje te zien en zich constant de vraag stellen: waar kan ik nog besparen of zie ik nieuwe opportuniteiten? De kern van het concurrentiële voordeel ligt nl. niet in eenmalige acties, maar in de systematische verankering van duurzaam ondernemerschap in de bedrijfsstrategie. Dit is veel moeilijker kopieerbaar door uw concurrenten.

Luc De Brauwere: Ik zou een lans willen breken voor het (her)gebruik van stoffen. In ons land zijn er heel weinig producten, in vergelijking met het buitenland, die voor hergebruik, volgens het VLAREM, zijn toegelaten. De regelgeving die bepaalt wanneer iets afval is, is te streng. Wanneer in bodem bijvoorbeeld een steen zit van een vuist groot, wordt deze bodem beschouwd als afval.

Rita De Smedt : Er zijn nog steeds bedrijven die olie opvangen of bestrijden met absorptiekorrels. Er bestaan nu ook polypropyleen ab(d)sorptiedoeken, rollen, slangen. Het is veel voordeliger, en men kan met een kleinere hoeveelheid meer afval opruimen, zodat het totale kostenplaatje met de helft gereduceerd wordt. We spreken hier over verbruik, aankoop, totaal gewicht aan afval en de verwerking hiervan.

Els Van den Abbeele : Wij proberen via de afvalbarometer kmo’s bewust te laten worden van hoeveel waardevolle grondstoffen en hoeveel CO²  zij besparen met het gescheiden inzamelen van hun afval. Na het invullen van het aantal kg afval dat zij inzamelen, krijgen ze het resultaat van hoeveel kg waardevolle materialen zij een 2de leven hebben gegeven en hoeveel CO² uitstoot hierdoor wordt gereduceerd.

Martin Devriendt: In het globale plaatje zijn zowel vermindering van afval aan de bron als het zoeken naar een bruikbaar alternatief belangrijk. Ieder ondernemer kan gemakkelijk een aantal plaatsen vinden in de werking van zijn bedrijf om de EVA te verminderen. En in veel gevallen blijkt dit dan ook nog kostenbesparend te werken.

Wim Desloovere: De aandacht van Ifest gaat voor een belangrijk deel naar de informatie van de bezoekers op het vlak van oplossingen voor alles en nog wat in het kader van milieuproblemen. De standhouders van Ifest bieden een zo ruimù pakket aan oplossingen aan dat ik mij niet kan voorstellen dat een bepaald milieyuprobleem niet kan worden opgelost.

Er is dus nog wel wat werk aan de winkel. We mogen ons niet laten verblinden door de vaststelling dat we in Vlaanderen goed bezig zijn. De aanpak kan nog verbeterd worden en daar worden we – en de toekomstige generaties – allemaal beter van. Laat je eventueel bijstaan door het deskundig advies van experts in de materie, zoals deze panelleden, die zich beschikbaar stellen voor vrijblijvend advies.

Interview: Freddy Michiels

Webdesign Desk02